Dagmeditatie 5 april 2021

Door Daan Kraan op 5 april, 2021 - 08:00

Marcus 16: 9-20

Toen Jezus vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen Hij eerst aan Maria uit Magdala, bij wie Hij zeven demonen had uitgedreven. Ze ging het nieuws vertellen aan de mensen die Hem hadden vergezeld en die nu om Hem treurden en rouwden. Toen ze hoorden dat Hij leefde en dat zij Hem had gezien, geloofden ze het niet. Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad aan het wandelen waren. Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. Ten slotte verscheen Hij aan de elf terwijl ze aan het eten waren, en Hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem hadden gezien nadat Hij uit de dood was opgewekt. En Hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld. Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.’

Nadat Hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam Hij plaats aan de rechterhand van God. En zij gingen op weg om overal het nieuws bekend te maken. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen.

 

Overweging

Dit bijbelgedeelte wordt wel een ‘toevoeging’ aan het evangelie van Marcus genoemd. Het is een samenvatting, in ‘grote stappen’, van gebeurtenissen die volgen op de opstanding van Jezus, eigenlijk tot ná Pinksteren, als de leerlingen tot verkondigers van het Evangelie worden.

De nadruk ligt op het onderscheid tussen geloven en niet-geloven.

De leerlingen geloven eerst de getuigenissen niet. Maria uit Magdala en de twee onderweg (de Emmaüsgangers) kunnen vertellen wat ze willen, ze vinden geen geloof. Dat wordt de leerlingen door Jezus verweten: ongeloof en halsstarrigheid.

Maar juist deze ‘halsstarrigen’ krijgen de opdracht het goede nieuws van Jezus’ opstanding te vertellen, aan heel de wereld. ‘Trek de wereld rond, en maak het aan ieder schepsel bekend’! En dan komt het er op aan: ontmoeten ze geloof, of ongeloof? Jezus maakt een duidelijk onderscheid: wie niet gelooft zal worden veroordeeld. Niet ‘om zijn ongeloof’, maar geoordeeld naar het leven dat hij/zij heeft geleefd. Als jij je niet toevertrouwt aan Jezus, dan komt het aan op je eigen daden. Dan ben je zelf verantwoordelijk voor je leven. - Ik moet er niet aan denken…..!

Wie wel gelooft zal hoe dan ook worden gered. Dat is een grote troost, voor ieder mens die zich schuldig weet tegenover God en elkaar.

Wie tot geloof komt zal herkenbaar zijn aan ‘tekenen’. De tekenen die Jezus noemt zijn wonderlijk: demonen uitdrijven, spreken in onbekende talen, slangen oppakken, dodelijk gif verdragen, zieken gezond maken door handoplegging. Kunnen wij dat? Het gaat vèr, zo lijkt het. Maar geloven wij dan wel in de kracht die de Heer ons geeft? – Dat is iets om eens goed over na te denken: hoe zijn wij herkenbaar?

Ds. Ron Koopmans

glqxz9283 sfy39587stf02 mnesdcuix8
sfy39587stf03
sfy39587stf04