Dagmeditatie 16 oktober 2020

Door Jacko Duker op 16 oktober, 2020 - 08:00

Ezra 6: 6-12
‘Wat uw vraag betreft, Tattenai, gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai, en uw ambtgenoten, bestuurders van de genoemde provincie: laat de bouw ongemoeid. Laat het werk aan de tempel van God ongestoord voortgang vinden. De gouverneur en de oudsten van de Judeeërs mogen de tempel herbouwen op zijn vroegere plaats. En ik heb bevel gegeven dat u de oudsten van de Judeeërs moet steunen bij de bouw van de tempel van God: zij moeten de kosten steeds volledig vergoed krijgen uit de koninklijke schatkist, uit de belastingopbrengst van de provincie Trans-Eufraat, zolang als nodig is. Alles wat de priesters in Jeruzalem nodig hebben, moet hun dagelijks, zonder enige terughoudendheid, gegeven worden: jonge stieren en rammen en lammeren om te offeren aan de God van de hemel, en tarwe, zout, wijn en olie, zodat zij offergaven aan de God van de hemel kunnen brengen, en zullen bidden voor het leven van de koning en zijn zonen. Ook heb ik het bevel gegeven dat er bij iedereen die dit besluit overtreedt, een balk uit zijn huis moet worden gesloopt, waaraan hij vervolgens rechtop zal worden vastgenageld. Zijn huis moet worden verwoest. Moge de God die zijn naam laat wonen in deze tempel, de tempel van God in Jeruzalem, alle koningen en volken neerslaan die een poging doen om dit besluit te overtreden door de tempel te verwoesten. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven, en het moet nauwkeurig worden uitgevoerd.’ 

Overweging
Het antwoord van koning Darius aan gouverneur Tattenai en de zijnen liegt er niet om. Na het zorgvuldige onderzoek in de archieven stelt de koning zich vierkant op achter de herbouw van de tempel van Jeruzalem: ‘Laat de bouw ongemoeid’.

Sterker nog: de overheid moet de bouw zelfs steunen met financiën uit de belastingopbrengst, uit de koninklijke schatkist. En neemt de koning zelf dus eigenlijk deel aan de tempelbouw. Zo grote verbondenheid van ‘kerk en staat’ komen we in onze landen niet meer tegen. Ik kan mij nog de grote kerkbouw-acties herinneren uit de jaren vijftig en zestig. Toen steunde onze regering nog de nieuwbouw van vele kerkgebouwen door heel het land. Zoiets kan alleen, wanneer er bij de overheid een diep geloof is in datgene wat er in de kerk gebeurt. Koning Darius weet dat er in Jeruzalems tempel gebeden wordt tot de God van de hemel, voor het leven van hem en van zijn zonen. Hij weet zich in zijn regeringsmacht volkomen afhankelijk van God. De God die hij leerde kennen, zoals wij in het boek Daniël hebben kunnen lezen.

Het is mooi wanneer geloof en Godsvertrouwen gedeeld worden tot in de hoogste kringen. Maar er zitten ook nadelen aan, zoals we in de Bijbelboeken die momenteel aan de orde zijn óók hebben kunnen lezen. Kerk en gelovigen worden zo wel heel afhankelijk van die overheid. Het gaat met dwang gepaard. Zo ook hier: met wie het besluit overtreedt, loopt het niet goed af. Zijn huis wordt verwoest, en hijzelf wordt aan een balk genageld. Van enige genade is geen sprake.

Het kàn bijna niet anders, of koning Darius en de zijnen denken dat de ‘God van de hemel’ ook zo is: een almachtig heerser die doet wat Hij wil.

We mogen dankbaar zijn dat wij de Heer op een andere manier hebben leren kennen. Als een barmhartige en genadige God. En dát is ook de reden waarom wij Hem zo vol vertrouwen willen dienen.  

 

glqxz9283 sfy39587stf02 mnesdcuix8
sfy39587stf03
sfy39587stf04