Dagmeditatie 14 oktober 2020

Door Jacko Duker op 14 oktober, 2020 - 08:00

Ezra 5: 6-17

Afschrift van de brief die Tattenai, de gouverneur van de provincie Trans-Eufraat, en Setar-Boznai, en diens ambtgenoten, bestuurders van de genoemde provincie, aan koning Darius hebben gezonden. Het bericht aan hem luidde als volgt: 

‘Aan Darius, de koning: alle goeds! Het zij de koning bekend dat wij naar de provincie Juda zijn gegaan, naar de tempel van de grote God. Die tempel wordt opgetrokken van steenblokken, en in de muren worden balken gelegd. Het werk wordt zorgvuldig uitgevoerd en vordert gestaag. Wij hebben de oudsten gevraagd wie hun het bevel had gegeven tot de bouw van de tempel en de voltooiing van het heiligdom. Ook hebben wij hun namen gevraagd, zodat we, te uwer informatie, de namen van de leiders schriftelijk konden vastleggen. Dit was hun antwoord: “Wij zijn dienaren van de God van de hemel en de aarde, en wij herstellen de tempel die reeds vele jaren geleden werd gebouwd; een groot koning van Israël heeft de bouw ervan destijds voltooid. Maar omdat onze voorouders de God van de hemel hebben vertoornd, heeft Hij hen aan de koning van Babylonië, de Chaldeeër Nebukadnessar, uitgeleverd. Hij heeft deze tempel verwoest en het volk in ballingschap naar Babylonië weggevoerd. Koning Cyrus van Babylonië heeft echter in zijn eerste regeringsjaar bevel gegeven de tempel van God te herbouwen. Ook de gouden en zilveren voorwerpen die Nebukadnessar uit Gods heiligdom in Jeruzalem had weggenomen en naar het heiligdom in Babel had gebracht, zijn door koning Cyrus daar weer vandaan gehaald en aan een zekere Sesbassar gegeven, die door hem was aangesteld als gouverneur. Hij zei hem: ‘Neem deze voorwerpen en zet ze terug in het heiligdom van Jeruzalem. Zorg ervoor dat Gods tempel op zijn vroegere plaats herbouwd wordt.’ Genoemde Sesbassar is hier gekomen en heeft de fundamenten gelegd van Gods tempel in Jeruzalem, en van toen af aan tot nu toe is eraan gebouwd, maar hij is nog niet gereed.” 

Welnu, als het de koning behaagt, laat hij dan in Babylonië een onderzoek instellen in de koninklijke archieven naar de vraag of het werkelijk zo is dat koning Cyrus bevel heeft gegeven om deze tempel van God in Jeruzalem op te bouwen. Laat hij ons vervolgens op de hoogte brengen van zijn wil in dezen.’

Overweging
Tattenai en de zijnen zijn de kwaadste niet. Sterker nog: zij zijn wérkelijk benieuwd naar wat de waarheid is. Zij gaan niet af op geruchten of op nepnieuws, ze willen weten wie bevel gegeven heeft tot de herbouw van Jeruzalems tempel, en wat er waar is van de bewering dat het koning Cyrus zou zijn geweest.

De oudsten van Jeruzalem hebben hun verhaal wel klaar. Het is nog precies in hun herinnering, en zo zal het ook zijn vastgelegd, hoe het destijds allemaal gegaan is. Ook zijn ze er eerlijk over de minder fraaie kanten van hun verleden: dat hun voorouders en het tempelgerei indertijd in Babylonië terechtkwamen was te wijten aan het feit dat ze Gods toorn hadden opgewekt. De zwarte bladzijden van de eigen geschiedenis worden niet weggewist! 

Alles wordt door Tattenai en de zijnen keurig op schrift gesteld, en opnieuw heel eerlijk aan koning Darius gemeld. Met de vraag: wilt u het onderzoeken of het inderdaad waar is van die toestemming van koning Cyrus, en: ‘wat denkt u er zelf van?’ Het is een heel andere toon dan in de brief van Rechum, die we in de vorige dagen lazen. Dàt was stemmingmakerij, maar dit is nauwkeurig onderzoek.

Zo duurt eerlijk nog altijd het langst, en op zo’n manier doe je de mensen ook recht. 

En het is maar goed dat de Perzen zo goed zijn in archiveren, dat zal blijken. Er vált in die archieven wat te onderzoeken, en ook te vinden. Een goede overheid die aan waarheidsvinding doet, is Gods volk tot zegen. 

Zo is het toevallig ook nog eens een keer..! 

glqxz9283 sfy39587stf02 mnesdcuix8
sfy39587stf03
sfy39587stf04