Dagmeditatie 13 januari 2021

Door Daan Kraan op 13 januari, 2021 - 08:00

Romeinen 13: 1-7

Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen een instelling van God, en wie dat doet roept over zichzelf zijn veroordeling af. Wie doet wat goed is heeft van de gezagsdragers niets te vrezen, alleen wie doet wat slecht is. U wilt niets van de overheid te vrezen hebben? Doe dan wat goed is en ze zal u prijzen, want ze staat in dienst van God en is er voor uw welzijn. Maar wanneer u doet wat slecht is, kunt u haar beter vrezen: ze voert het zwaard niet voor niets, want ze staat in dienst van God, en door hem die het slecht doet zijn verdiende straf te geven, toont ze Gods toorn.

U moet haar gezag dus erkennen, en niet alleen uit angst voor Gods troon, maar ook omwille van uw geweten. Daarom betaalt u ook belasting en staat wie belasting int in dienst van God. Geef iedereen wat hem toekomt: belasting aan wie u belasting schuldig bent, accijns aan wie u accijns verschuldigd bent, ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt.

 

Overweging

Het gezag van de overheid erkennen. Toonbeeld van goed burgerschap.

Het staat toch altijd wat onder druk. Gezag erkennen, van iemand of een instelling boven jou, is voor de moderne, zelfstandig denkende mens niet eenvoudig. En zeker niet, wanneer een overheid in onze ogen grote fouten begaat, ja zelfs mensen onrecht doet.

De woorden van Paulus gaan echter ver. ‘Er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld.’ God is een God van orde, niet van wanorde, en ook in de samenleving wil God een ordening.

Maar daar zit je dan als kleine kwetsbare christelijke gemeente, lijdend onder het dwingende gezag van de Romeinse keizer, lijdend ook onder hoge belastingen en felle vervolging. De apostel roept deze christenen dus niet op tot revolutie, tot het plegen van verzet, maar tot ontzag en gehoorzaamheid.

Daar zat met ook, als vrome kerkmensen in de oorlogsjaren, lijdend onder de bittere bezetting van ons land, ziende het onrecht dat mensen werd aangedaan, joden en vele anderen. Moest men maar lijdzaam toezien? Mocht men wel protesteren? Mocht je wel deelnemen aan het verzet? Want ook déze overheid was toch door God ingesteld? Of móest men zich juist verzetten?

Daar zit men nu, in de huidige tijd, als onvoorstelbare misstanden aan het licht komen bij bijvoorbeeld de belastingdienst, in de ‘toeslagen-affaire’. Waar mensen niet gehoord worden, zich vertrapt voelen en voor hun leven lang met diepe schulden zitten. In onze tijd mogen we dan nog dankbaar zijn voor ‘democratie’ en ‘vrijheid van meningsuiting’. We leven in een rechtsstaat. Je kúnt protesteren, de overheid aanklagen, proberen je recht te halen, tóch. Zonder het gezag van de overheid aan te tasten. Dat was in Paulus’ tijd veel minder goed mogelijk.

De strekking van alles is helder: geef de gezagsdragers het ontzag dat hun toekomt.

De grenzen zijn echter onhelder, en telkens moeten we weer in goed overleg met onszelf en elkaar, zoeken naar de juiste houding. Waar is gehoorzaamheid vereist? Waar is verzet geoorloofd? Wanneer is verzet juist gebóden, en gehoorzaamheid volstrekt verkeerd? Het is goed om dat telkens af te wegen, en het liefste in gezamenlijkheid. We mogen dankbaar zijn dat met een overheid als de onze wij de vrijheid hebben om die afweging ook te maken, elke keer opnieuw.

glqxz9283 sfy39587stf02 mnesdcuix8
sfy39587stf03
sfy39587stf04