Dagmeditatie 11 januari 2021

Door Daan Kraan op 11 januari, 2021 - 08:00

Romeinen 12: 1-8

Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u. U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.

Met een beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik u allen dat u zichzelf niet hoger moet aanslaan dan u kunt verantwoorden, maar verstandig over uzelf moet denken. Denk overeenkomstig het geloof, dat is de maatstaf die God u heeft gegeven. Zoals ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie hebben, zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen. We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in overeenstemming met het geloof gebruiken. Wie de gave heeft bijstand te verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet onderwijzen. Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin blijmoedig zijn.

 

Overweging

Het laatste deel van de brief van de apostel Paulus aan de gemeente in Rome gaat over het christelijke leven. Hoe leeft een christen nu naar de wil van God?

Hoofdzaak is, dat we ons zelf helemaal stellen in Gods dienst. Dat is voor ons de ‘ware eredienst’. We moeten veranderen. Maar niet door ons aan deze wereld aan te passen maar door onze gezindheid te vernieuwen. Het gaat van binnenuit. Zo ontdekken we wat God van ons vraagt, en wat goed is.

Daarbij moeten we onszelf niet te hoog aanslaan. We zijn soms geneigd onszelf en elkaar te overvragen. Leg de lat niet al te hoog, maar dien God naar de gaven die Hij je heeft gegeven. We zijn nu eenmaal verschillende mensen, we hebben elk onze gaven ontvangen. Wat je aan gaven hebt, zet díe in voor de gemeenschap.

Een mooi beeld is dat van het lichaam. De christelijke gemeente is het ‘lichaam van Christus’. Een lichaam heeft verschillende lichaamsdelen, met elk een eigen functie. Zo is het ook in de kerk. Ieder zijn eigen talent en taak.

Wat verder bij het lezen opvalt, is de grote plaats die Paulus ook hier geeft aan Gods genade en barmhartigheid. De vraag naar het goede leven staat niet in het teken van: “genoeg gepraat over Gods genadewerk, nu zijn wij aan zet..!”

Maar Gods genade en barmhartigheid gaan blijvend voorop. Alleen met een beroep dáárop durft Paulus een appèl te doen op de gemeenteleden. En ook alleen met een beroep op diezelfde genade kunnen wij ons zelf ook echt inzetten.

Ook het goede dat wij doen in Gods dienst, wordt dus door Hem ‘gewerkt’. Met andere woorden: Gods Geest maakt ons vaardig om het goede te doen in het dienen van God en mensen.

 

De kalme gang, de kleine taak,

zijn ruim genoeg voor Godes zaak.

Onszelf verliezen in ’t gebod

brengt dagelijks nader ons tot God

Lied 215: 6

glqxz9283 sfy39587stf02 mnesdcuix8
sfy39587stf03
sfy39587stf04